
Veel pogingen om een stervend dier te reanimeren falen omdat men klakkeloos technieken die bij mensen goed werken op dieren wil toepassen. De verschillen in reanimatietechnieken tussen mensen en dieren zijn klein, maar wel van groot belang voor het slagen van een reanimatie. Als je rekening houdt met deze kleine verschillen, moet je een dier net zo goed kunnen reanimeren als een mens!
Bij een reanimatie is het zaak om in een vaste volgorde een aantal punten af te checken en af te werken.
1. Zorg voor een open luchtweg
Het belangrijkste dat een dier in leven houdt is zuurstof. Het absoluut noodzakelijk dat je eerst zorgt dat het dier een vrije passage van lucht naar luchtpijp en longen heeft.
Veel mensen zijn huiverig voor het in de keel voelen bij een (grote) hond; als er iemand is om de bek open te houden, is dit echter toch wel goed te doen.
Als het dier niet ademt moet je altijd verdacht zijn op een totale afsluiting van de luchtweg.
a. Strek de nek, probeer met de vinger de keel schoon te vegen.
b. Geef 5 of 6 porren in de buik, naar voren/boven (Heimlich manoeuvre)
c. Herhaal de keelinspectie met een vinger, doe dan opnieuw een Heimlich
d. Sla op de rug
e. Herhaal dit, maar niet te lang:
f. Indien nog steeds een afsluiting bestaat, moet de luchtpijp geopend worden (tracheotomie).
Let echter bij de reanimatiepogingen op de volgende zaken (m.a.w. blijf logisch denken):
1. Als het dier rond loopt en/of jankt/piept, is de luchtweg open !
2. Een dier in het agonale stadium is niet te redden. Agonaal wijst op een stadium waarin het dier waarin het dier af en toe naar adem ‘snakt’, zonder dat er van ademhaling sprake is. Er is meestal geen hartactie, pupillen zijn wijd en stijf, en de corneareflex (op de oogbol duwen à knipperen) is afwezig. Veel dieren worden door een eigenaar snel naar de dierenarts gebracht als ze in dit stadium zijn, omdat men denkt dat het dier nog leeft.
2. Beademing.
Oudere reanimatie-methoden geven aan dat 1 x per 5 seconden beademt moet worden. Tegenwoordig gaat men er van uit dat 1 x per 1 à 2 seconden beademen nodig is om te voorkomen dat er flinke hersenbeschadiging ontstaat door zuurstoftekort. Bij een dier wordt beademt met gesloten bek (tong er uit!) en via de neus. Het is dus vrijwel onmogelijk om een complete reanimatie alleen te doen: je kunt niet om de twee seconden beademen zonder dat je zelf gaat hyperventileren! Een tweede persoon moet kunnen aflossen. Beademen moet zo veel mogelijk afgewisseld worden met hartmassage.
3. Hartmassage
Als het hart stil staat, of fibrilleert (niet-effectieve trillingen van de hartspier), kan het nodig zijn om het hart via een ‘schrikreactie’ weer te laten beginnen. Je kunt het hart voelen tussen de ribben, daar waar de punt van de elleboog de ribwand raakt. Als je het hart niet voelt kloppen, geef dan een korte felle klap op het hart, om zodoende zonder stroomstoten het hart weer aan het kloppen te krijgen.Hartmassage is bedoeld om van buitenaf de pompfunctie over te nemen. In het begin is de bloedstroom door het hart zelf (via de kransslagaders) het belangrijkste doel van hartmassage. Het hart stopt met kloppen als de ademhaling gestopt is. Maar zelden stopt het hart er als eerste mee. De circulatie door het hart wordt bereikt door de borstkas samen te drukken t.h.v. de 3e tussenribruimte, met een normale hartfrequentie. 80-120 snelle compressies per minuut worden op het breedste deel van de borst gegeven (dus niet te dicht bij het borstbeen), waardoor het bloedvoorziening van het hart én de rest van het lichaam op gang gehouden wordt. Het hoofd moet liefst iets lager liggen dan de rest, om de stroom naar de hersenen gemakkelijker te maken. Eventueel kan snel een elastisch verband om de achterbenen gedraaid worden, waardoor bloed uit de benen naar de grotere circulatie geperst wordt. Afwisselend met de hartmassage kunnen buikcompressie (70-90/minuut) gegeven worden: hierdoor wordt de bloedstroom sterk in positieve zin bevorderd.
Inwendige hartmassage is de meest effectieve methode om de circulatie op gang te houden. Hierbij wordt de borstkas opengesneden en het hart met de hand gemasseerd. Vanwege de grote kans op fatale bloedingen en ontstekingen, gaan we bij dieren hier niet toe over.
4. Medicijnen
Het toedienen van medicijnen moet in de regel intraveneus of intra-tracheaal (in de luchtpijp) gebeuren. Wordt in de regel door de dierenarts gedaan.
5. Evaluatie
Evaluatie is de volgende stap. Vaak kan een stilstaand hart weer op gang gebracht worden, maar de oorzaken waarom het stopte zijn vaak nog aanwezig! Constante bewaking van hart en ademhaling zijn een must: vaak stopt het hart er al snel weer mee, en dan begint alles weer opnieuw.
Hart- en polsbewaking: Aan de onderliggende borstwand kun je het hart meestal goed voelen. Aan de binnenkant van de dij kun je de pols voelen.
Houd het bewustzijn in de gaten: Als je het oog aanraakt, en het dier knippert, is er meestal sprake van bewustzijn. Als je rondom het oog tikt en het dier knippert, is het dier vaak echt wakker. Dit zijn goede tekenen. De pupillen zijn een goede indicator voor de hersenfunctie:
Maximaal verwijde pupillen zijn een slecht teken. Vaak is er sprake van hersendood. Het lijkt of het dier geen irissen heeft. Zeer nauwe pupillen wijzen op pijn of verhoogde druk in de hersenen. Pupillen van ongelijke grootte wijzen op een zware hersenschudding.
Houd het mondslijmvlies in de gaten:
De CRT (=capillary refill time, de hervullingstijd van de haarvaten) is de beste manier om de functie van hart en bloedvaten te bewaken. Als het slijmvlies boven de boventanden roze is, en deze kleur keert na indrukken binnen 1 sec weer terug, dan hebben we een vrijwel normale bloedcirculatie. Bij shock of slechte circulatie zien we wit tandvlees.
Pijn of ernstige ziekte zorgen voor ‘geïnjecteerde’ slijmvliezen: de individuele bloedvaten tekenen duidelijk af. Blauwe slijmvliezen wijzen op zuurstoftekort, níet op slechte bloedsomloop. Steenrode slijmvliezen wijzen op stagnatie van de bloedsomloop. Bij een dood dier kun je alle bovenstaande mogelijkheden tegen komen.
6. Zodra de toestand gestabiliseerd lijkt moet het dier naar de dierenarts !